16 sep. 2011

Canada 2011: Wickaninnish en Tofino


Onze eerste ochtend in Long Beach, en eentje die flink afstak tegen de vorige! Hoewel het nog steeds niet aangenaam warm kon worden genoemd, was er namelijk geen spoor meer van de bijtende koude die we de afgelopen dagen hadden ervaren. We ontbeten in de eeuwige schemer van het nevelwoud, en vertrokken vervolgens voor een goed gevulde dag. Op het programma vandaag: een bezoek aan het Wickaninnish Beach & Interpretive Centre gecombineerd met een korte wandeling door het regenwoud, en nadien een boottocht om de wilde fauna van de Stille Oceaan te gaan verkennen.

Dat is wat je zag als je 's morgens uit je tentje kwam gekropen...
Het gematigde regenwoud van Vancouver Island, compleet met mountain lions

voormiddag: strand en regenwoud in Wickaninnish



Het visitor centre van Wickaninnish is een prachtig houten beach house, balancerend op de grens tussen woud, strand en oceaan. Houten terrassen, hoge ramen, leistenen daken: een gebouw om bij weg te dromen. Het weer was echter minder fraai die ochtend: toen we uit de wagen stapten, hing de lucht vol dreigende wolken. Het miezerde een beetje, alsof iemand had beslist dat wie nieuwsgierig is naar de zee, maar meteen doorweekt mag worden. We verkenden het strand tot het bezoekerscentrum openging, en gingen er toen vlug schuilen. Binnen de muren bleek een uitgebreid museum te zijn gevestigd, dat niet alleen over de onderwaterwereld van de oceaan, maar ook over de oorspronkelijke volkeren van deze streken handelde. Blijkbaar leefde er voor de komst van de Europeaan (en een hele poos nadien) een bloeiende gemeenschap op dit eiland, met een vergevorderde cultuur die volledig was ingepast in het leven van de natuur. We vergaapten ons aan maquettes, kaarten, reisverslagen, opgezette dieren...
Toen het weer een beetje beter leek te worden, trokken we de kap weer over ons hoofd, en vertrokken we voor een wandeling. We liepen het strand af naar links, trotseerden een tros willekeurig neergegooide en zeer glibberige rotsen, snuffelden wat rond in een prachtige baai met de lyrische naam South Beach, en trokken toen het woud in. Een pad tussen het vochtige, hevig geurende groen bracht ons tot op een T-splitsing, waar we resoluut rechtsaf sloegen.

de locale fauna

South Beach

Een wandelpad door de wildernis

een van de vele woudreuzen


We drongen steeds dieper het woud in, tussen woudreuzen en machtige varens door... tot we ons zorgen begonnen te maken: dit was bedoeld als een kort wandelingetje naar de parking, niet als een safari door de rimboe! We wandelden verder, tot we na zo'n 3 km op een nieuw strand terechtkwamen: mijlenver van de plaats waar we de auto's hadden achtergelaten. In de bosrand stond een bordje, waarop heel helder stond weergegeven dat we ons een uurtje eerder, toen we zo resoluut afsloegen, danig hadden vergist. We waren op de Nuu-cha-nulth Trail verzeild geraakt, en dat was een one way trip. De enige weg terug was dus de weg die we gekomen waren. Nog eens 3 km te wandelen dus. En we moesten al gauw in Tofino zijn!
De weg terug door het woud verliep gehaast, zonder de aangename sloomheid die we op de heenweg hadden afgelegd. We kwamen hijgend aan op de parking, propten vlug wat boterhammetjes in onze mond, en vertrokken halsoverkop naar de noordwestelijke punt van het schiereiland, waar het hippe surfersstadje Tofino lag, en het whaling station vanwaar we walvissen zouden gaan spotten.

Onderweg rijd je in en uit tsunami-gevarenzones



namiddag: walvisspotten in Tofino


Tofino is een dorpje op de uiterste punt van een schiereiland, omgeven door een weelde aan kleine, beboste eilandjes in een serene zeearm die uitmond in de oceaan. je wordt er overdonderd door de natuur. Toen wij er aankwamen was het nog steeds bewolkt en grauw, maar zelfs dan had de omgeving een onaardse schoonheid. Aan de rand van het stadje lag Jamie's Whaling Station, weinig meer dan een toeristenwinkeltje met erachte een parking en, daaronder, de kade. We kochten onze tickets en repten ons naar de boot, die reeds lag te wachten.

Clayoquot Sound, bespikkeld met bossige eilandjes
Er is ook een "luchthaven" voor watervliegtuigen

Tofino, het einde van de wereld (of althans van de 8000 km lange Trans Canada Highway)


Aan boord had je de keuze om ofwel aan dek te gaan zitten, waar je blootstond aan de elementen, of mooi onderdeks, waar je vanachter grote glasramen de zee kon afturen. Wij die-hards kozen natuurlijk voor de eerste optie. De boot vertrok, en meteen beseften we wat onze keuze betekende: we zouden de hele boottocht in de wind zitten turen, besproeid worden door opspattend zeewater en miezerregen, en verkleumen tot op het bot. Maar toen de boot de veilige omarming van de zeearm achter zich liet, en volle zee koos, waren we blij met onze bevoorrechte uitkijkpost.
En we zagen wat! Eerst kwamen we langs een rotseilandje waar robben zich lagen te koesteren in de... nuja, regen. Toen kozen we definitief het ruime sop. De kapitein stond via radio in contact met kleinere bootjes die reeds op zee waren, en voor ons de walvissen poogden aan te wijzen. Het gerucht ging dat er in voor de kust orka's waren gespot, een soort die normaal maar zo eens per maand in deze wateren voorkwam. De kapitein negeerde dus meldingen van waarnemingen van grijze walvissen, die minder zeldzaam waren. We stoomden een tijdje rond zonder iets te zien, tot de kapitein opeens geagiteerd naar links wees. Daar, heel in de verte, zagen we een stel zwarte rugvinnen rondcirkelen in het water.

robben en meeuwen op een rotseilandje

de eerste rugvinnen, en in de verte een van de kleinere bootjes

 Het was een magisch moment. Tuurlijk, een rugvin ziet er weinig spectaculair uit, maar het besef dat een van die prachtdieren vlakbij was (of toch min of meer), en niet in een aquarium maar echt in het wild, maakte dat we op slag de weersomstandigheden vergeten waren. De boot suisde een poosje over het water van links naar rechts, tot we ons plots middenin een groep bevonden die rond de boot op kwamen duiken om hun zwartwitte snoet te laten zien. We zagen er één, twee, drie... de aantallen waren niet meer te tellen. Op een bepaald moment moeten het er wel een stuk of tien, vijftien zijn geweest. De dieren speelden even rond de boot, en verdwenen toen weer onder het loden zeeoppervlak. Meer dan een toevallige ontmoeting was het niet, maar wel heel intens.

moeder en kind

de orka die ons het dichtste durfde naderen - het voelde alsof je hem bijna aan kon raken!


Toen we een uurtje later terug naar de kust voeren, kwamen we langs een baai waar zo nu en dan een vreemde grijze bolling in de grijze golven verscheen. Ik zou het geeneens gezien hebben, als de kapitein er niet op had gewezen. Een grijze walvis! Meer dan zijn rug kregen we helaas niet te zien, maar we zagen wel de witte vlek die hem de naam Saddle had opgeleverd. Toen ook die laatste bewoner met een bezoekje was vereerd, keerden we definitief naar de haven terug.

de (bult)rug van Saddle


Die avond zochten we verkleumd een plekje om te eten in Sea Shanty Restaurant vlakbij de waterluchthaven. We smulden er van de vruchten van de zee, blozend van vermoeidheid maar met een voldane blik in ieders ogen. Walvissen!