23 aug. 2016

Woekeraars in Surabaya, en het woeste Madura


— vrijdag 15/07/2016 —

Na ons bezoek aan Borobudur (zie onze vorige blogpost) is de tijd gekomen om Yogyakarta achter ons te laten en langzaam naar het oosten op te schuiven. Onderweg zullen we vulkanen beklimmen en zeeën bedwingen, maar dat is voor later. Eerst moeten we maar eens op weg zien te geraken!

Weggeraken uit Jogja is moeilijker dan gedacht!

Vanuit Jogja zijn er verschillende routes mogelijk, maar de meest voor de hand liggende is via Surabaya. Dat is een grote, oninteressante industriestad aan de noordkust, maar ze biedt wel prima toegang tot de rest van oostelijk Java. Het plan was oorspronkelijk om per trein van Jogja naar Surabaya te trekken, maar wat blijkbaar aan onze aandacht was ontsnapt, was dat je voor dergelijke lange ritten moet reserveren. Soms heb je geluk en is er nog een plaatsje, maar wij bleken pech te hebben: de trein naar Surabaya van vandaag zat al helemaal vol. Ook die van zaterdag én zondag bleken volgeboekt, wat betekende dat we ofwel ons verblijf in Jogja nog eens met drie dagen zouden moeten verlengen, of een andere vervoerswijze zouden moeten zoeken. Hier blijven had geen zin, we hadden er wel zowat alles uitgeperst intussen, dus gingen we koortsachtig op zoek. Er bleek een bus te zijn, die ons in theorie op negen uur tijd tot in Surabaya zou kunnen brengen. We begonnen het land al wat te kennen – in praktijk zou dat dus dichter bij 12 à 13 uur zitten (vergeleken met zo'n vier uur voor de trein). Jakkes! In een ingeving besloten we toch maar eens te kijken of er geen vluchten waren tussen beide steden, en tot onze opperste verbazing bleek dat nog het geval te zijn ook! Een oversteek door de lucht zou ons amper 50 minuten kosten, en kostte zo'n 50 EUR per persoon. Dat is liefst zeven keer zoveel als de busrit, maar dat hadden we er wel voor over. En dus boekten we in allerijl nog twee zitjes bij Sriwijaya Air, gepland om die avond om 21:50 te vertrekken.

de stortregen tijdens het boeken voorspelde weinig goeds... Een voorteken?

Het vliegtuig had vertraging – uiteraard. Indonesië zou Indonesië niet zijn. Maar dat was prima voor ons: we hadden al onze spullen bij, ons hotel in Surabaya was al gereserveerd en we hadden zeeën van tijd. Toen het dan toch onze beurt was, gingen we opgewekt aan boord, en minder dan een uur later landden we alweer aan de overzijde van Java, een beetje moe maar klaar voor onze avonturen van de komende dagen. Er stond ons echter een avontuur te wachten waar we niet op hadden gerekend...


Woekeraars en racisme

De luchthaven van Surabaya is enkel met een snelweg verbonden met de stad. Dat is belangrijk, maar dat merk je meteen. We wachtten geduldig tot onze bagage van de band kwam gerold, en begaven ons naar de taxireservatiestand. Sorry, kregen we daar te horen, alle taxi's zijn weg, we kunnen niet helpen. En dat was gek, want ik had hen net nog andere reizigers een ticketje zien geven. Dat waren locals, maar dat kon er natuurlijk niets mee te maken hebben, toch? Dan maar naar buiten, de zwoele nacht in. Daar werden we meteen aangeklampt door kerels die ons een rit naar de stad aanboden, maar dan voor een exorbitant hoge prijs. Bovendien zagen ze er helemaal niet als formele taxichauffeurs uit. We weigerden natuurlijk, maar ze werden alleen maar opdringeriger, en in plaats van tegen elkaar op te bieden, bleven hun prijzen almaar stijgen!

Intussen zagen we anderen uit de vertrekhal komen, allemaal locals, gewoon met een taxiticketje in de hand. Heel raar. Wij terug naar binnen, maar daar vertelde de man achter de taxidesk ons in Engels dat op mysterieuze wijze steeds gebrekkiger werd dat hij ons niet kon helpen. Ze waren toevallig net gesloten. Sorry! Terug naar buiten, bereid om toe te geven en een van de illegale taxi's te nemen, maar die hadden hun prijzen intussen nóg eens verhoogd, intussen tot 300.000 IDR (normaal kost een taxirit enkele 10.000en). Dat weigerden we faliekant. Normaal zouden we gewoon te voet naar de stad zijn vertrokken, en een eind verder een taxi hebben aangehouden, maar te voet langs de snelweg zagen we nu ook weer niet zitten. Enige resterende optie was het luchthavenhotel, een Ibis. Daar wisten we met veel, heel veel moeite onze situatie uit te leggen aan de nachtwacht. Die bleek van goede wil en liep met ons mee naar de taxistand, maar hij slaagde er ondanks zijn knappe politie-achtige uniform niet in om de woekeraars op de knieën te dwingen.

Intussen was een groep van zes Fransen aangekomen met een andere vlucht, en we zagen in hun blik en gebaren dezelfde frustratie als wij voelden. Bleek dat ze effectief hetzelfde probleem hadden ook. Samen zijn we sterker, besloten we, en dus trokken we van taxi naar taxi (die kwamen namelijk nog steeds aan de lopende band aan), maar keer op keer vingen we bot. Onze actie zorgde wel voor enige opstopping, en dat wist uiteindelijk de aandacht van een politieagent te trekken. Die kwam kwaad kijken wat er aan de hand was, en we wisten hem aan te klampen voordat de taxichauffeurs hem te pakken kregen. Ook zijn Engels bleek minimaal, maar hoeveel woorden heb je nu eigenlijk nodig om dit probleem uit te leggen? Met veel gebaren (en een praktijkvoorbeeld van een lege taxi die zomaar wegreed!) wisten we hem te illustreren waar het om ging. Hij had duidelijk niet veel zin, maar zijn ethiek gebood hem in te grijpen. Hij riep een van de illegale taximannen en er ontstond een korte maar hevige discussie, die eindigde met een kwaad telefoontje van de taximan. Luttele minuten later verscheen er een eerste busje waar vier mensen mee meekonden, en daar stapten wij met twee Fransen in. De taxiwoekeraar vertelde ons dat hij 200.000 per koppel wilde, wij knikten als brave schaapjes, en eens onderweg vermurwden we de chauffeur om ons 200.000 in totaal te laten betalen. En zo, met veel gedoe, wisten we uiteindelijk ons hotel voor die nacht te bereiken. Dat dat een soort capsulehotel was hadden we op voorhand geweten, en het maakte ook niets uit, want het enige wat wij nog wilden was een bed en de duisternis. En die hadden ze hier beiden in overvloed.



— zaterdag 16/07/2016 —

Het 'ongerepte' Madura

Ochtend. Grijzig daglicht filtert door het rolgordijn van onze capsule naar binnen. Op de gang achter het gordijn klinkt al enig gerucht, maar het is nog rustig, het belangrijkste geluid het geruis van de airconditioning. Ik sluip zo stil mogelijk uit bed, wurm me het laddertje af en zoek in de locker onder de onderste capsule naar mijn toiletgerief: een douche zal me deugd doen. Het avontuur van gisteren zit nog steeds in mijn hoofd terwijl ik onder de hete waterstraal sta, maar dat zal snel genoeg wegebben, neem ik me voor, want vandaag begint een nieuw avontuur, eentje waar nog niet veel toeristen zich aan wagen: de verkenning van het eiland Madura.

Madura ligt voor de kust van Java, en is ermee verbonden met de langste brug van Indonesië. Voorbij de brug ligt een land bewoond door mensen met een nog heel rijke traditie, aldus de Lonely Planet, en er zijn talloze interessante stadjes en prachtige stranden. De interessantste plek ligt helemaal aan het verre eind van het eiland en heet Sumenep. De busrit erheen zou een viertal uur moeten duren.


De busrit naar Sumenep duurt zes uur. Zes uur lang hotsen en botsen we over slecht aangelegde en nog slechter onderhouden wegen door een volslagen oninteressant landschap. De dorpjes die we passeren zijn vuil in plaats van boeiend, de stadjes druk en smerig, en het weer wil ook niet mee: grijze luchten afgewisseld met hevige stortbuien, die de ramen van de bus doen lijken op die van een goedkoop, slecht geventileerd bordeel. Rijden in Indonesië gaat blijkbaar gepaard met claxonneren, en dat doet onze chauffeur heel uitbundig. Waar wij onze richtingaanwijzers zouden gebruiken, geeft hij een kort stootje op zijn claxon, afgewisseld met langere wanneer hij wordt afgesneden (wat voortdurend gebeurt) of soms gewoon wanneer hij er zin in heeft. Bijvoorbeeld op een drukke markt, op moment dat de bus door een menigte van mensen en koeien aan het waden is. Er wordt geen middagpauze gehouden, dus Cathy en ik eten niks, en de stops voor in- en uitstappen worden tot het absolute minimum beperkt. En dan bedoel ik niet dat de bus maar twee minuutjes stil staat, maar eerder dat hij enkel vertraagt zodat je de deur kan openen, een paar seconden stopt zodat je kan uitstappen, maar alweer gas geeft en weg stuift nog voor de deur goed en wel toe is. Je zou haast denken dat ze gehaast zijn. Toiletpauzes zijn al helemaal een illusie, maar gelukkig werkt de airco maar half, zodat je al het vocht dat je opdrinkt gewoon weer uit zweet.


Zes uur later worden we er dan uiteindelijk uitgespuwd op de busterminal van Sumenep. Het regent, en we bevinden ons in de wildernis. Wat mannen met scooters hangen rond om gestrande passagiers op te pikken (ojek, of scootertaxi's, zijn erg populair in deze uithoek), maar met onze zware rugzak is dat natuurlijk geen optie. Niemand spreekt ook maar een woord Engels, tot jolijt van iedereen behalve ons twee. Tot we het woord taksi uitspreken, en dat doet een zucht van herkenning door de verzamelde nieuwsgierigen gaan. Een van hen biedt een ritje aan tegen 100.000 Rp, te duur natuurlijk, maar we zijn allang blij dat we vervoer hebben. Zijn wagen is helemaal geen taxi, maar wie maalt daar nog om op zo'n moment.

Na enig rondzwerven komen we uiteindelijk terecht bij het hotel dat we voor de komende drie nachten hebben geboekt. Op de foto's zag het er basic maar netjes uit, maar de werkelijkheid is anders: het is er vuil, de kamers stinken naar sigaretten en de badkamer bestaat uit een gat in de grond en een betegelde bak met koud water, waarmee je jezelf na de boodschap dient proper te maken en dient door te spoelen, en dat ook de enige bron van water is om je mee te wassen. Nee, niet met ons. En dus trekken we te voet weg, naar een van de andere hotels waar de onderweg hierheen waren gepasseerd. Dat zag er heel wat netter uit, maar al bij binnenkomen stond de man achter de balie met zijn handen te zwaaien. "Full, we're completely full." We probeerden het hotel aan de overkant van de straat, maar daar vroegen ze eerst hoeveel nachten (we antwoordden één, zoals altijd, om alle flexibiliteit te hebben), waarop hij reageerde: "sorry sir, mrs, we're full." Geen vermurwen aan. Hij wilde wel de bell boy met ons meesturen om een ander hotel aan te duiden, maar daar kregen we al bij binnenwandelen de melding dat ze ook vol waren. Hoewel er geen enkele wagen op de parking stond.

Hulp van de locals

Het was intussen na zessen, wat betekent dat de nacht met een klap was ingevallen. De muezzins galmden hun spookachtige gezang door de straten, en wij stonden in de duisternis, in de miezerregen, zonder slaapplek. De buren van het laatste hotel merkten ons op, en riepen ons binnen. Anders dan de hotelbedienden waren ze erg vriendelijk, erg opgewekt ook, want ze hadden tenslotte westerlingen in huis! Uiteraard moesten we op de foto. Een van hen, de moeder, bleek een beetje Engels te kennen, en we legden ons probleem uit. Ze bood ons iets te drinken aan en terwijl we gulzig dronken, belde ze rond. Een paar minuten later stond een becak voor de deur. We stapelden er moeizaam onszelf en al onze bagage in (de becak kantelde op bepaald moment haast voorover!), en werden onder opgewonden geroep en gezwaai van de familie weggefietst. De bestuurder bracht ons naar een motel aan de rand van de stad, waar niemand Engels verstond maar dat deed er ook niet toe. Het was duidelijk waarom we hier waren, en de prijs stond neergeschreven op de toog. We betaalden, vulden de gastenlijst in (de vorige aanvulling dateerde van februari) en werden naar onze kamer geleid. Die leek op die in het eerste hotel, maar dan een tikje properder, zonder sigarettengeur en mét een toilet. We hadden de fut niet meer om te protesteren, en dus aanvaardden we zuchtend. Een beetje beter is soms al goed genoeg.


Die avond aten we in een soort restaurant dat op één andere tafel na uitgestorven was, en kregen iets voorgeschoteld dat verdacht veel op eten leek, maar het waarschijnlijk toch niet helemaal was. Maar honger is de beste saus, zeggen ze, en dus aten we flink ons bordje leeg. Belangrijkste voordeel hier: er was wifi, zodat we ons plan van aanval in elkaar konden steken voor de volgende dag. Dit was waar we op uitkwamen: bij goed weer zouden we nog proberen het strand te bereiken dat volgens Lonely Planet heel erg mooi was, ook al lag dat nog zo'n 30 km naar het oosten, bij slecht weer zouden we de eerste bus terug naar Java nemen.

— zondag 17/07/2016 —

Weg weg weg van hier

De ochtend brak aan, en de ontbijtruimte van het motel zag er smerig uit, met grijsgekleurde gerechten die al uren leken uit te staan. Daar pasten we voor. We slenterden langs de drukke straat onder het alomtegenwoordige geclaxoneer van brommers en wagens, en vonden uiteindelijk een soort locale variant van McDonalds. We bestelden hetgeen dat er meest als een ontbijt uitzag (een kommetje rijst en een gepaneerde en gefrituurde halve kip), en dat hielp ons beslissen: we wilden hier weg. We keerden terug naar het motel, pakten alles in, klampten de eerste beste becak aan en lieten ons naar de busterminal brengen. We betaalden 5000 Rp, een twintigste van de 'taxirit' van gisteren. Er bleek net een bus naar Surabaya klaar te staan en onder veel drukdoenerij en geroep werd onze bagage ingeladen en wij aan boord geduwd. De bus vertrok, en toen pas beseften we dat we ons geen lunch hadden gekocht. En we wisten al dat de bus onderweg niet zou stoppen. Gelukkig hadden we nog twee kleine flesjes water uit het motel om een lege maag te vullen...

De bus zat al goed vol bij ons vertrek, en zou onderweg nog voller gepropt worden. Op gegeven moment was de hele middengang gevuld met staande passagiers, waaronder een jonge knul met een kip in een mandje van bananenblad en een oudere kerel met twee grote vogelkooien die elk één piepklein zangvogeltje bevatten. De bus claxonneerde, bonkte, bulderde en rammelde zich een weg door Madura van oost naar west, en wist zich op een of andere manier min of meer aan de tijd te houden. We kwamen rond twee uur 's middags in Surabaya aan, en daar ging meteen een van de kerels van de bus met onze rugzakken aan de haal, om ze haastig in het ruim van een andere bus te proppen.

— "You go Probolinggo, yes?" hijgde hij. 
— "Yes," antwoordde ik naar waarheid, want we hadden besloten niet nog een dag te verspillen en meteen door te stoten naar Bromo, veilig en wel terug op het toeristentraject. Geen risico's meer! "Yes we go Probolinggo, but we can use toilet?" vroeg ik in het simplistische Engels dat hier beter werkt dan mijn idiote namaak-Brits.
— "Quick, yes, bus starts now!" En daarbij zwaaide hij vaag in de richting van de toiletten.

Surabaya is een heel drukke terminal, met een wirwar aan busperrons en een zee aan mensen die voortdurend lopen te schreeuwen en te rennen, zij het zonder ook maar een spoor van efficiëntie. Cathy haastte zich weg, ik bleef bij onze nieuwe bus achter om zeker te zijn dat ze niet zonder ons maar mét onze bagage vertrokken. Toen Cathy terug was, was er voor mij geen tijd meer. We werden haast de bus op geduwd, en de chauffeur ramde al op het gaspedaal nog voor we een zitplek hadden gevonden.


De bus naar Probolinggo zette een geweldige tijd neer. Hij deed er amper twee uur over, wat sneller is dan de schattingen aangeven. Iemand had gehoord dat we naar Bromo wilden, en dus werden we er niet uitgewipt op de busterminal van Probolinggo maar al ergens in het centrum van de stad, netjes voor de deur van een touroperator die trips naar Bromo organiseerde. We vermoedden dat er wel weer ergens een commissie mee gemoeid was, maar aangezien we wel even onze bekomst hadden pech en vuiligheid, besloten we zuchtend om het aanbod tot onderhandelen te aanvaarden. Uiteindelijk legden we niet alleen een bezoek aan Bromo vast, maar ook eentje aan Ijen, in vogelvlucht 150 km verder naar het oosten. Alle ritten, overnachtingen, toegangstickets en ontbijten inbegrepen voor amper 2.500.000 Rp voor ons twee samen (zo'n 172 EUR). Niet bepaald spotgoedkoop, maar je leeft wel twee dagen zonder iets te moeten regelen, en da's ook al eens prettig.

Op naar vulkanen in de jungle

We hadden nog niet goed betaald (visa kon niet, dus werd ik eerst gauw achterop een moto naar de dichtstbijzijnde bankautomaat gebracht) of er stopte al een busje voor de deur, waarmee we rammelend de bergen in werden geleid. De zon zakte achter de horizon weg, even snel en onverwacht als anders, en de duisternis viel over ons neer. Bij het licht van de koplampen zagen we de smoezelige huisjes van Probolinggo plaats ruimen voor rijstvelden, weinig later gevolgd door steeds steilere hellingen begroeid met dicht, weelderig regenwoud. De bossen zongen in duizend verschillende tonen de lof van de natuur, de lucht werd minder drukkend heet, en de motor van ons karretje ronkte als een ietwat sjofel roofdier terwijl het zich onvermoeibaar tegen de hellingen omhoog werkte. Op naar Bromo, en het vulkanische hart van Java.